vrijdag 17 december 2010

IJstijd

Hoe zij beweegt,
hoe zij in telkens weer
of wat haar opnieuwt

in sierlijk,
de bewondering is
van harde stilte

en haar uitsterven
aan de rand van wit,
is waar zij in zichzelf
achterblijft.


GJB


uit 'Diep in het seizoen'
Uitgeverij P, maart 2007

IIstijd

IIstijd

zondag 28 november 2010

Moby

Als het station hen heeft uitgespuwd als een vaart volk, kunnen ze blindelings naar huis. Massa van zij die weten waar naartoe, omdat ze dit bijna dagelijks doen. Schimmen die zich haasten tegen het uur om zich terug aan thuis te geven. In de rook van de winter, je kan hen volgen op weg naar waar zij zich behaaglijk voelen. En uitgerekend op een vrijdag nog wat sneller, omdat daar het weekend lonkt. De bijna looppas over een graad onder nul. Maar niet dat je van sneeuw vreest: zij gaan vallen.
Anderen, die met de voeten nergens geraken, zijn in staat tot geduld en wachten. Hopend dat de bus, dat de auto hen oppikt. Is daar manlief, volgt de kus, rijden zij zichzelf weer tegemoet naar een huis achter slot.
Nog anderen, alleen met zichzelf, verlichten stilstaan met muziek. Hun hoofd, dat het op en neer moet gaan, heeft Moby hen aangeleerd. En zo de buurt, zo de drukte van een kom vol lawaai, zo de neon van de beat. Ingeduffelde dagen met allemaal dezelfde koppen. Je kan denken: de terreur van de dagen met hen op loop en dat stilte in deze tijd geen kans maakt de straat over te steken.
En bij de ochtend hetzelfde, zij het omgekeerd. Begint aan de ingang het uur dat hen slikt, de trein rond hun nek, de overbelichting van hun lot. En vertraging een drama. Ook nog het vloeken dat vijf minuten iets is dat lang duurt. En als de trein binnenloopt van hun bestemming gaan zij de grens over van moeten gaan werken.
Soms, als je stil staat bij wat je ziet, ze houden dat al jaren vol, is daar het besef dat wij gevangen zitten in ons. Niet eens bij machte niet op te staan, doen wij de schoenen aan om te lopen in alle dagen die hetzelfde zijn. Robots. Dus niet dat er verandering komt.
Op het perron buigen wij het hoofd voor de tirannie van gaan en komen. De aflossing van onszelf: spoedig als een massale evacuatie naar Brussel of Gent en dat steeds terug. En al ligt het buiten wit, wij zitten niet in een sprookje omdat alles nu eenmaal zó moet. Als kamers door de vrieskou ochtend, nooit kunnen we een streep trekken onder de bliksem van onze plicht.

GJB

zondag 22 augustus 2010

Klara

Zondag is van elkaar de stilte verdragen, de spraak op nul zetten, de geur aan koffie laten. Het is ook weten dat zoiets goed is in een wereld die helemaal naar het lawaai is. Tijdens de gewoonte van de week ligt stilte meestal in de kleinste hoek van een kamer. Vandaag vult het een heel huis. Zodat alles nu na de woorden valt. De gedachte daaraan nestelt zich in een boek om te lezen. Een dag, na zes dagen op een rij. Als je zwijgt heeft het huis zichzelf aan de lijn. Ook nog: een bel van een beeld dat de middag niet ontploft in het gedicht dat je zonet las. Sla je een blad om, kan je hopen dat de tijd aarzelt om morgen weer de hort op te gaan. Ja, er is rondgang, maar dan zonder voeten. We bestaan in een seizoen van een kat op de middag.
Buiten is het geel en de bomen. Voor zover ik weet komt de nacht niet meer uit de grond. Het ergste gehad. En de wind die zich aan een tak houdt zonder bewegen. De wereld komt bij, maar dan leger.
Zie ik iemand, lopen de mensen ver uiteen. Dat je denkt: ze hebben een naam die je kan roepen in de woestijn. En dat ik beneden wordt van wat ik daarboven zie, waar de verdiepingen slapen in de wolken krijt een vliegtuig zijn lijn. Het moet zijn dat we vandaag kunnen dromen van een paar beelden eeuwigheid. Zoals intussen, zoals alles dat bewaakt wordt van zoemen in de lucht. Valt de koperen klokslag, lijkt het daarna weer jaren geleden dat wij iets hoorden. Zo dat wij met de bladwijzer warmte steken in ons lijf. Alles harmonie en morgen is voor later, veel later. Geborgenheid herinnert zich mij.
Als de ogen even willen slapen zijn wij het allang eens met ons huis. Als vrienden voor het leven, als muziek maar niet te luid. Klara heeft het over Chopin en of dit dan geluk is. Maar een strijd die daar aan voorafging: ik in een kamer, de winter naar het verleden, de wijn eindelijk in de dorst van het woord even. En dat ik deze morgen een dag aantrok die steeds dichter bij thuis valt.


GJB

woensdag 2 juni 2010

EEN HEEL JAAR AUGUSTUS

Na Eyjafjallajökull. Dagelijks zie je ze weer vertrekken. In hun koffers zit elke uithoek van de wereld om aan de verschillende bestemmingen van hun reis te voldoen. Mét zonnebril, want minstens is er de vlucht naar een zomers verlangen. Ook nog met het gekneusde leven aan het raampje graag, want boven de wolken wordt de sleur van de schouders gelicht, willen ze het theater van hun eigen hemel zien. Zo zullen zij duren over een afstand om tegen elkaar te zeggen ik ben gelukkig vandaag. Want wat wenkt er meer dan het zicht op een uitgestelde horizon. Dus niet dat je hen kan zeggen: je kan niet gaan naar waar je ooit nooit zult zijn. Illusie. Ze vertrekken maar komen nooit écht aan. De waan van kalendergeluk, van dagen die op hen lagen te wachten. Al in april of mei is het een heel jaar augustus.
Je vraagt hen af: kennen ze hun vlucht, kennen ze de wet dat geen mens aan zijn eigen zwaartekracht ontsnapt? Je ziet ze denken: ik heb mezelf mee om mij helemaal achter te laten, om daar iemand anders te zijn dan anders. Om daar te doen aan onvervulde dingen, om daar de ochtend blauw aan te raken. Om daar op de andere zijde van het bestaan te liggen en er te zwemmen in een eiland vol geluk. Als een mens in de mensen. En ’s avonds vier sterren op het bord na het bubbelbad.
Maar als ze daar dan, na uren waar ze absoluut wilden zijn, aan het bloedhete zand raken, is het tegendeel reeds met hen klaar. Want nooit is iemand meer van zichzelf dan als hij elders is. Nooit is hij er iemand anders dan dat hij gewoon is. Omdat er voor hem geen ontsnappen is, omdat hij blijft wie hij is al reist hij met zichzelf de wereld rond. Omdat hij ginder na een paar dagen wil weten hoe het thuis is. Omdat hij ginder met de vraag blijft zitten wat zoek ik, wat vlieg ik achterna. De waarheid dat er niets op zijn eigen ik rijmt.
Want reizen confronteert een mens met zichzelf, met zijn eigen vreemde eenzaamheid die hij, paradoxaal genoeg, met reizen wil ontvluchten maar waarin hij nooit kan slagen. Je kan denken: ook in het hiernamaals zal zijn koffer klaarstaan, al is hij dan definitief ter bestemming.
Het is een ochtend als iedere andere ochtend en zo schuiven ze aan. Paspoort graag. Maar niet dat dit hen zal verplaatsen. Ze blijven hier. In het oog van zichzelf, in de schaduw van later. Maar wel met een goedlachs gelaat, met een hemd van kleur meneer dat het gedroomde jaar van veertien dagen is aangebroken.


GJB

dinsdag 11 mei 2010

EEN BLOEDGROEP VAN ZIJN

Overzichtstentoonstelling van Ed Templeton
The Cemetery of Reason
datum 25.04.2010
auteur Geert Jan Beeckman
rubriek Beeldende kunst

'The Cemetery of Reason' is een overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Ed Templeton (°1972). De kunstenaar brengt meer dan 1.200 foto's, schilderijen en sculpturen die hij de afgelopen vijftien jaar creëerde. De tentoonstelling focust op zijn eigen leven en dat van de mensen die hem omringen. Hij portretteert zichzelf en zijn vrouw Deanna, vrienden, familie, en de vele mensen die hij ontmoet tijdens zijn skateboard tournees. Ook willekeurige straatfoto's zijn zeer present aanwezig in zijn werken. Dikwijls beschrijft Templeton zijn werk met anekdotes, gevoelens en gedachten om de bezoeker een verdiepend beeld te geven. Een verhaal dat het autobiografische overstijgt en sociaal- maatschappelijke fenomenen zonder schroom noch vingerwijzing blootlegt.
Voor UrbanMag bracht ik een bezoek en kwam danig onder de indruk van ’s mans werk.
Het gaat om beelden, een lijn door de stad. Eenvoudig en daarom geniaal. Een fotoreeks die Templeton tijdens het onderweg zijn in de auto met een camera maakte. Als een passant die andere passanten vastlegt. The Second Pass. Je komt langs en je gaat mee in het verhaal tot je er niet meer uit weg kan, want het gaat ook over jezelf. Het wervelt en de kunstenaar is snel en spontaan, hij bezit het oog dat niet meer toe kan in de hypnose van het vluchtige. De passie van zijn afstand. Ook nog de onrust dat er te weinig uren zijn in een dag die clair-obscur begint. Foto’s lijken ouder dan het land, wie is meegegaan heeft de koers van zijn leven tot aan het einde bepaald. Ze praten je terug, vertellen dat Californië ver is als je niet in Californië woont. En wat daarbuiten ligt op een zondag: geschilderd verdragen mensen meer stilte van elkaar. En dat daar iemand zijn oor legde op de aarde om te raken aan het hart van het detail. Ed Templeton: een chroniqueur van wat mensen menselijk maakt, ook als ze eens niet in beeld zijn. Zo, dat hij voor hen een leven opeist in de tijd. Je zou er misschien aan voorbij willen gaan, maar niet dat dat lukt. Hij maakt in je hoofd een plaats vrij om te onthouden. Zijn spat: een bloedgroep van zijn.

Over een stad die weegt op de mensen, over wat deze poëzie vermag met het tijdloze. Zelfs in kamers heerst het rumoer van de voorbijganger die altijd komt en de kaars die blijft branden aan twee kanten. In kroegen zeven tv’s om Amerika weer te geven zoals het moet, maar buiten ligt de waarheid op de stoep. Wat rijmt smaakt naar verschraalde drank.
Hij die dronken is loopt het zwarte gat in van zijn bestaan, hoopt zijn geheugen niet te verliezen al is alles aan hem fataal en volgt na de klim het dal. Want de dagen vorderen alle andere dagen op, maar omdat hij het dagelijks ziet, weet hij dat niet. Hij zingt waar hij de verte uitstapt en nadien wordt, nog net te beschrijven van een verdwijnen tot niets van wie hij was. Dit is niet zomaar gaan slapen, dit is zijn val huiswaarts.
Wat ons verder leidt naar het contrast: op borden de slagzinnen van de maatschappij, hoog in de lucht om te voldoen aan de droom. Men leest af en God kijkt mee, een kruis om te dragen, want men gelooft dat het ooit beter wordt. Men gaat en komt, maar men wijkt nooit ver af van een verdroomd Amerika dat in werkelijkheid averij heeft opgelopen. Wat opraakt wordt door een oude winkelkar verder geduwd, raakt vast in de kloof tussen arm en rijk. De blessure daarvan, en het verleden dat zich ophoopt in de straten. De tijd Amerika. Van fictie dat zich bezeerde aan de feiten.

Teenage smokers en Homeless in één zin, maar waar men in volhardt, is het optimisme dat men prijst: for sale 39$ only. Je kan zien: de kunstenaar legt in mensen de veerkracht en het kwetsbare dat ze niet gelogen zijn, zo dat hij met de realiteit alleen uit de voeten kan als hij ze naakt mag maken. Zijn poëzie in dubbeltijd, ook letterlijk. Achter de hoek wordt de blik vlees en vlees is het mooiste. Allison, Mimi, Jamie, Deanna…er moeten ogen en handen zijn die weten dat zij zacht zijn als hun geslacht. Er moeten mensen zijn die hen graag zien in het gezicht van ons allen (ook het publiek weet dat) met daarachter de eeuwige wet van marmer. De sluitertijd tot wat hen vereeuwigt: blijven staan is de klik om aanwezig te blijven. En glimlachen en kussen want er is ook hoop, al is er geen jaar te verliezen. Wat hen dooradert eindigt ooit in vingertoppen.

Dan verder omdat het land groter is dan de engte van een steeg. Faith Fear/Fear Faith (God cares) in een witte zaal omdat voor de kunstenaar dit zijn kerk is om alles in stand te houden waar mensen nooit voorbij zullen zijn. Niet dat hij iets dichten moet met geluid, maar je blijft hen horen. Templeton weet goed dat hij hier met de draad verder moet waarmee hij begonnen is. Wat hij vastlegt: het universele in het particuliere. Spiegelt hij ons de wreedheid en het absurde van religie voor, dan heeft hij het ook over zichzelf als hij losbrandt. Vader is water in de vrees voor diepte, moeilijk is zijn jeugd in de afrekening met vroeger. De opvoeding een hand dat wil verdrinken, onder een mozaïek van fundamentalisme heerst het drama. Maar alles in geel, blauw, groen of rood. Alsof hij er nooit nog onkleur wil aan toevoegen. Je voelt het zo: confrontatie is een woord dat je midscheeps raakt. De sculptuur is scherp, Map of the inner war, van graffiti op je ziel. De opzet, dat de kunstenaar maar één iemand voor ogen heeft: ons.

Dit met de soundtrack van Sonic Youth, de ravage van Bush, de Beautiful Losers van een generatie. A Clusterwork van wat de wereld met je doet. Hoe hij de nacht zet op doek: de essentie van bestaan is de suggestie dat de dingen je kunnen overkomen. Ook nog met de vaststelling dat iedereen, iedereen kan zijn en wat hij daarmee doet. Verbondenheid. De knipoog naar Egon Schiele, de acid van L.A. De porno van Bukowski, de maagd in een zee van groen. Het loopt uiteen maar het hoort bij elkaar als een spot op onze natuur. Geen reflectie is Templeton vreemd. En wat deze duizendpoot misschien nog het meest heeft bedoeld: een tentoonstelling als levend wezen. Organisch dat je ziet, hij laat toe, hij overstijgt de wereld van het individu. De conclusie: je hoopt dat Templeton doorgaat met zijn kunst. Een laatste foto sluit dan ook niets af. Geen ogen, geen adem, geen hartslag en al zeker geen tijd. Hij doet je meenemen wat je niet kan achterlaten: het leven zelf.


ED TEMPLETON - The Cemetery of Reason
nog tot 13/06/2010 in het S.M.AK.
open di-zo van 10-18 u.